Emancipatie
Joep Zander
Er zijn blijkbaar allerlei ingesleten
gedragspatronen, ongeschreven codes en verwachtingen in
de samenleving die verdere emancipatie
in de weg staan.' Dat zegt staatssecretaris Verstand
van emancipatiebeleid (in Trouw van
30 maart). Ze concludeert dat de verdeling van 'arbeid' en
'zorg' tussen de seksen nog steeds
onevenwichtig is, ondanks het feit dat zowel vaders als
moeders dat anders willen.
Moeders en vaders moeten de zorg en verantwoordelijkheden
voor hun kinderen kunnen delen. Codes
die dat belemmeren zijn, anders dan te
lezen is in de jongste emancipatienota van staatssecretaris
Verstand, niet alleen ongeschreven, maar
dikwijls ook geschreven. Met name over het aandeel in de zorg
van vaders en de aard daarvan hanteren
prominente instituten vaak roestige, geschreven opvattingen. Kan
het emancipatiebeleid wel aanzetten tot veranderingen op gebieden waar
sprake is van stereotypering van het moederschap en daaruit voortvloeiende
discriminatie van vaderlijke zorg?
Een veel geraadpleegde encyclopedie start
in haar nieuwste versie (Encarta 2000) het lemma vaderschap
met de volgende definitie: "De biologische
en/of juridische betrekking waarin een man tot een
kind staat." Dit is de weerslag van een
denken waarbij emotionele betrekkingen tussen vaders en
kinderen worden gediskwalificeerd. Neergeschreven
vormt ze ook het uitgangspunt voor redeneringen
van psychologen, psychiaters en kinderbeschermers.
Het vooroordeel dat vaders die voor de zorg voor
hun kinderen opkomen, met die juridische
strijd vooral hun patriarchale positie proberen te handhaven,
wordt erdoor ondersteund.
Vaders die opkomen voor een gelijkwaardige
wettelijke zorgstatus worden al snel herrieschoppers
genoemd. Toch is het succesvolle maatschappelijke
streven naar behoud van gezamenlijke
verantwoordelijkheid en gezag (voor beide
ouders) en gelijke verdeling van de zorgverplichtingen
(Declaration of Langeac on Equal Parenting)
vooral door vaders vormgegeven. Deze bewegingen
moesten opboksen tegen emancipatieinstituten
die gelijke zorgverdeling slechts met de mond belijden.
De Nederlandse wet stelt in artikel 204
BW1 dat erkenning van een kind door de vader kan als
"het de belangen van de moeder bij een
ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van
het kind niet zou schaden..." Deze bepaling
en denkwijze belemmert een cultuurverandering om de
moeder niet langer als vanzelfsprekende
eerste opvoedingsverantwoordelijke te zien. Overigens is in dit
wetsartikel sprake van discriminatie naar
sekse (vaderschapsdiscriminatie) en discriminatie naar
burgerlijke staat, want in een huwelijk
kan de moeder de 'erkenning' niet weigeren. Het vooropstellen van het belang
van de moeder is ook in strijd met de rechten van het kind. Gevolg van
deze bepaling die
vaders handelingsonbekwaam maakt, is dat
veel vaders die graag voor hun kinderen hadden willen
zorgen statistisch niet bestaan. Deze
ongelijkheid met het altijd gekende moederschap dient te worden
weggenomen.
Vaders hebben op veel officiele documenten
een merkwaardige plaats, van formulieren voor de
kinderbijslag (vaders bestaan niet) tot
rechtbankformulieren (moeders hebben altijd het gezag en de zorg). De Commissie
Gelijke Behandeling verklaart zieh bij klachten over dit soort zaken dikwijls
niet
ontvankelijk.
Media zijn bij uitstek de overdragers van
codes. Berichten over verzorging van (jonge) kinderen en baby's reppen
meestal over moeders in plaats van verzorgende ouders. Ze sluiten naadloos
aan op
opvattingen bij gedragswetenschappers
dat vaders voor jongere kinderen een secundaire en vervangbare
rol hebben. Uit onderzoek blijkt overigens
het tegenovergestelde.
Het blijkt niet mogelijk om mailings voor
zorgende ouders aan meneren te adresseren, met als gevolg dat
je als zorgende vader niet alleen als
mevrouw wordt aangesproken maar ook maandverband door de bus krijgt. Het
lijkt een illusie dat je man kunt zijn en tegelijkertijd betrokken pappa.
Tot slot is vermeldenswaard dat een bekend
fonds in haar afwijzing van een subsidieaanvraag voor
ondersteunende voorzieningen voor vaders
opmerkte, dat het hier maar om een aspect van ouderschap
gaat. Deze opmerking moet worden bezien
in het licht van de vele voorzieningen voor moeders. Ook
kinderopvang zou, meer dan nu, kunnen
worden geprofileerd als een voorziening voor vaders in plaats
van er impliciet van uit te gaan dat het
slechts moeders zijn wier verantwoordelijkheid moet worden
verlicht.
Naast de verborgen impliciete codes waar
Verstand het over heeft (beeldvorming en ongezien
onderscheid) bestaan er dus verdrongen
maar geschreven codes, om over repressie maar te zwijgen. De
staatssecretaris zou maatregelen kunnen
nemen om ze uit de weg te nemen, zeker als het wetten en
wetstoepassing betreft. Zoals bij zoveel
vooroordelen heeft het zin de expliciete vormen waarin de codes
zieh presenteren aan te pakken. Een van
de voor de hand liggende manieren om dat te doen is via de
Commissie Gelijke Behandeling. Het Clara
Wichmaninstituut zal, niet alleen in theorie maar ook in de
praktijk, zieh meer moeten richten op
genderproblematiek en dus ook op mannen. Zorgend vaderschap is leuk, en
het is dan ook niet verwonderlijk dat mannen de anderhalve eeuw achterstelling
wensen in te
halen.
Joep Zander is pedagoog en kunstenaar.
Hij is lid van de begeleidingscommissie van de
lezingencydus Mannen-Zorgen-Werken,
voorzitter van het Vader en Kind-centrum Nederland
en adviseur van enkele ouderorganisaties. |